Hondje
Hij las de tweet voor de zoveelste keer en elke keer als hij het slechts 29 tekens tellende berichtje las, kreeg hij een onaangenaam gevoel, nog net geen rilling, maar wel dat onaangename voorgevoel dat er iets stond te gebeuren waar hij geen controle over had. Was hij maar nooit begonnen met twitteren. Het was toch al niet zijn favoriete bezigheid. 140 tekens waren te kort om zijn gedachten uit te drukken. Hij had er weken overheen laten gaan voor hij zijn eerste tweet het levenslicht had laten zien en heel laf had hij een pseudoniem gekozen, iets met een hond, zijn eerste tweet was dan ook ‘waf ‘ geweest. Dat hij daar nu zo lang over na had moeten denken verbaasde hem achteraf.
Hij had zijn pseudoniem natuurlijk angstvallig geheimgehouden, want het verzenden van een tweet ging vaak sneller dan het over de inhoud nadenken. Menigeen was al tegen zijn eigen tweet aangelopen en hij was van huis uit voorzichtig aangelegd. Geen overdreven risico’s nemen. Hoofd slechts eventjes boven het maaiveld, nooit te lang.
Maar ook hij was uiteindelijk ten prooi gevallen aan de natuurlijke neiging van elk mens, ergens in uit te blinken, op te vallen. Al kon je natuurlijk niet zeggen dat je met ‘waf’ als tweet een uitblinker was binnen de twitter-gemeenschap en erg opvallend was het ook al niet geweest. Waarschijnlijk was de tweet verloren gegaan tussen de miljoenen tweets die dagelijks als een onherkenbare brei van bits en bites, de netwerken bevuilden.
In zijn zoektocht naar de reden van de zo juist voor de zoveelste keer gelezen tweet was hij door zijn lijst met verzonden tweets heen gescrold en was tot zijn stomme verbazing zijn eerste summiere tweet tegengekomen: ‘waf’
Hij las de een paar uur geleden ontvangen tweet nog eens: <‘Ik weet je te vinden, hondje.’ >
De afzender was anoniem daar was blijkbaar ook al een app voor. Maar wie wist hem nu te vinden? Slechts een handje vol mensen kende zijn twitter-account en geen van allen zou hem zomaar anoniem een tweet sturen. Hij had op zijn mobiel gekeken en ontdekt dat er een applicatie op zat waarop je alle andere twitteraars in de buurt kon zien. Die had hij blijkbaar een keer gedownload. Hoe dom kon je zijn! Die werkte natuurlijk ook de andere kant op. Maar hoe ver uit de buurt kon je kijken. Hij kon toch moeilijk iedere twitteraar die in het venster verscheen persoonlijk benaderen met de vraag bedreigt u mij soms?
De laatste uren was hij zichzelf niet geweest, of eigenlijk toch weer wel. Hij was een angsthaas, had last van paranoia en dacht bij voorkeur in complotten. Afwisselend was hij heen en weer geslingerd tussen hoop, dat het tweetje niet voor hem bestemd was, en vrees, dat de tweet juist persoonlijk aan hem gericht was en dat er de meest vreselijke dingen stonden te gebeuren. Hij had op het punt gestaan acuut zijn account op te heffen maar had zich bedacht dat daarmee het bericht misschien wel weg was maar de dreiging niet. Hij werd blijkbaar gestalkt. Niets was meer veilig, al je persoonlijke informatie was overal beschikbaar en opvraagbaar. Het had allang geen zin meer je daar tegen te verzetten.
Hij had geprobeerd gericht naar de afzender terug te tweeten maar het was hem niet duidelijk of zijn boodschap, <‘wie ben je?’> ontvangen was. Hij had uiteraard, zoals verwacht, geen antwoord gehad. Blijkbaar had iemand de moeite genomen een app te downloaden om hem vervolgens te tweeten. Dat was niet voor niets, dan moest er meer aan de hand zijn dan zomaar een grappenmaker. Hij was in zijn hoofd zijn vrienden- en kennissenkring langsgegaan en had zich bedacht wie hem blijkbaar zo haatte dat dat de aanleiding geweest was tot deze tweet. Hij had een vrij neutraal bestaan, even geen werk, maar geen enkele activiteit of handeling die hij de afgelopen weken verricht had gaf naar zijn mening aanleiding tot deze ‘dreig-tweet’, want daarvan was hij inmiddels wel overtuigd, het was een bedreiging. Als iemand zei: ‘ik weet je te vinden. Ik weet heus wel waar je woont’, dan was dat een bedreiging. Vroeger op straat als kind al riepen de buurtkinderen tegen hem, ík weet heus wel waar je woont’ en dat was niet omdat ze gezellig bij je thuis wilde spelen, maar omdat er eens flink ‘gemat’ moest worden. Hij was nu geen kind meer, maar de vijftig gepasseerd, dan moest je zulke bedreigingen serieus nemen. Het koude zweet liep over zijn rug.
Er ging een piepje, op het scherm verscheen een icoontje ten teken dat er een sms-berichtje ontvangen was. Hij opende het berichtje, hij verstarde en keek ontzet naar zijn scherm. Het berichtje bestond slechts uit één woord in hoofdletters: ‘HONDJE’. Er was dus blijkbaar iemand die zowel zijn twitter-account als zijn mobiele nummer kende en die ook nog eens de moeite had genomen naar beiden een anoniem bericht te sturen. Dit begon serieus te worden, misschien moest hij de politie wel inlichten. Maar wat konden die nu doen. Hij was in acuut gevaar, hij wist het zeker. Om nu met gevaar voor eigen lijf en leden naar buiten te gaan naar het dichtstbijzijnde politiebureau en daar waarschijnlijk toch vooral niet serieus genomen te worden was geen aanlokkelijk idee. Maar hij moest wat doen hij kon moeilijk totdat zijn grootste angst verdwenen was in huis blijven. Daarbij kwam moest hij er toch nog even uit om de container voor te zetten en dat kon hij beter, in de gegeven omstandigheden, bij daglicht doen.
Zijn telefoon ging, het was de vaste lijn. Hij keek snel in de display of hij het nummer herkende. Het nummer was afgeschermd, zag hij. Hij durfde de telefoon niet op te nemen en liet hem overgaan, vijf keer, tien keer. Er kwam geen eind aan het rinkelen van de telefoon. Het was zijn stalker, dat moest wel. Hij besloot ten einde raad de telefoon op te pakken, misschien zou hij de stem herkennen.
‘Stoor ik?’, hoorde hij de stem aan de andere kant van de lijn vragen.
‘Nee hoor’, zei hij geheel bezijden de waarheid.
‘Kan ik dan even vijf minuten van uw tijd hebben?’
Hij vroeg zich af wanneer de vrouw aan de andere kant van de lijn zou zeggen dat ze hem wist te vinden. Het was gelukkig een vrouw, dat was al veel minder eng. Vrouwen pleegde geen moorden dat deden mannen alleen, was zijn vaste overtuiging. Maar het ging helemaal niet om het vinden van het hondje de vrouw wilde hem een andere provider aansmeren, beter en goedkoper en ook veel veiliger. Maar hij geloofde haar niet en beëindigde het gesprek. Net toen hij de verbinding verbrak ging beneden de deurbel. Hij zat gelijk rechtovereind in zijn stoel. Hij voelde zijn hart kloppen in zijn keel. Hij stond op en liep met slappe knieën, zich vasthoudend aan een kast wankelend naar het raam om te kijken wie er beneden voor de deur stond. Hij stak zijn hoofd voorzichtig naar voren zodat hij vanaf beneden niet gezien kon worden. Hij hoorde stemmen, het waren kinderen. Gelukkig hij liep de trap af naar beneden en deed de deur open. Of ze een klusje mochten doen? Hij had ze bijna willen vragen of ze de container aan de straatkant wilde zetten, maar bedacht zich zo’n sukkel was hij toch ook weer niet.
Hij sloot de deur en liep naar de achterdeur, ging naar buiten en deed de deur achter zich dicht. De container stond achter in de tuin, hij liep er naar toe. Hij pakte de container bij de achterzijde van de klep en liep naar voren en zette hem aan de straatkant. Hij was een aansteller. Hij zag leeuwen en beren die er helemaal niet waren, stelde hij tevreden vast. Er verscheen zowaar een flauw lachje om zijn lippen. Gerustgesteld liep hij met lichtverende pas terug door de achtertuin naar de achterdeur. Hij legde zijn hand op de deurklink en wilde de deur openen toen hij achter zich zacht een stem hoorde, slechts één woord nauwelijks hoorbaar:
‘Hondje’
Als verstijfd bleef hij staan. Hij wilde zich omdraaien.
‘Hondje…’
'zwarte bladzijden, Gouden randjes'
De klap bleef uit, het bleef stil, dertien hoog. Vallen in oneindige schoonheid, tijdloos. Hij had de grond allang moeten raken. Hij had zijn ogen dichtgehouden, de oogleden samengeperst. Hij durfde ze niet te openen. Hij was gewend te vallen maar nooit zo diep. Vallen en weer opstaan, het stof van je afslaan, het hoofd heen en weer schudden, de schouders losdraaien, opkrabbelen en doorgaan. Altijd maar doorgaan, bladzijde na bladzijde.
Toen hij uiteindelijk zijn ogen weer durfde te openen zag hij het boek onder hem opengeslagen liggen. Hij herinnerde zich vaag de lederen kaft met de gouden gekalligrafeerde letters. Nu lag het daar, opengeslagen. Hij begon plotseling heftig te zweten. Kwam nu de laatste klap, de anticlimax van het leven. Kansloos neergesabeld.
Hij probeerde de letters te onderscheiden. Welke heroïek stond in het boek beschreven. De glorieuze tijden die hij doorleeft had; de resultaten bereikt; het werk dat hij verricht had. Stonden ze er allemaal in? Hij was opgehouden met vallen, de klap was niet gekomen. Langzaam dreef hij steeds hoger tussen hoop en vrees. De letters vervaagden tot vlekken, de aaneengesloten woorden vormden langzaam steeds groter wordende vieze donkere vegen. Wat eerst nog zijn heldendaden leken te zijn, bleken uiteindelijk slechts zwarte bladzijden te zijn. Flinterdunne, op elkaar geperste, zwarte bladzijden die gezien vanaf de zijkant goud kleurde. Goud-op-snee, zoals vroeger ook wel Bijbels eruit zagen met van die zwarte ‘duimpjes’ waar mee de verschillende boeken waren aangegeven. Schone schijn want zo heilig als dat boek, was zijn geschiedenis niet geweest.
Een plotselinge windvlaag deed de flinterdunne blaadjes omslaan, zwarte bladzijde na zwarte bladzijde kwam hem tegemoet. Af en toe was er dat dunne streepje goud zichtbaar.
Hij voelde zich licht in het hoofd worden, onzeker, verdrietig, een afscheid dat naderde. Tranen vormden zich in zijn ooghoeken die langzaam over zijn wangen richting mondhoek zakte. Hij ving er met het puntje van zijn tong één op. Eerst het zuur van de teleurstelling, nu het zout, maar kwam er ook ooit nog zoet?
Het was volkomen onverwacht gebeurd, de val. De schijnbare veiligheid van zijn bestaan onder hem weggerukt. Nu lag voor hem dit boek, open geslagen. Hij dreigde te verzuipen in de zwarte bladzijden van zijn eigen bestaan. Zwartgallig terugkijkend, was er dan helemaal niets wat hij bereikt had? Geen spoortje licht? Niets waar hij trots op kon zijn. Steeds dieper zonk hij weg. Soms voor een enkel ogenblik, onverwacht trok dat enkele streepje goud hem weer naar boven uit die diepe leegte.
Een beetje houvast, af en toe onderscheidde hij weer een enkele letter, een woord, een flard van een zin, in goud geschreven. Langzaam drong het besef tot hem door, hij moest zich vasthouden aan dat enkele streepje goud, die zin, dat woord, die ene letter. Omhoog kijken, het was nog niet te laat.
Hij stond nog op de rand op de 13e. Hij draaide zich om en liep terug de weg die hij gekomen was, op zoek naar nog meer streepjes goud.
In 2013 beproefde ik mijn geluk bij een schrijfwedstrijd. Het thema was zwarte bladzijden, Gouden randjes'.
Ik vermoed dat het bij mijn wat deprimerende inzending ontbrak aan het Gouden randje.
Nummertje
'Welk nummertje heeft u?' vroeg ze.
Ik keek haar een fractie van een seconde niet begrijpend aan.
De vraag kwam volledig onverwachts. Bij het binnenlopen van de kapsalon had ik niets zien staan wat maar even leek op een apparaat waar nummertjes uit getrokken moesten worden. Daarbij kwam, ik had speciaal voor deze kapper gekozen vanwege het feit dat je gaan afspraak hoefde maken.
Ze keek mij vriendelijk, een beetje vermoeid aan. Het was ook nog vroeg, de kapsalon was nog maar een kwartiertje open.
Haar ene oog was iets groter dan de andere, waardoor het leek of ze loenste.
Ik vroeg me af, hoe dat zo gekomen was?
Misschien was haar ene oog gewoon wat later wakker dan het andere, of wellicht had ze een zware nacht gehad. Misschien had ze een klap van haar vriend gehad. Geweld binnen relaties kwam vaker voor dan je op het eerste gezicht soms dacht, maar er was geen andere zichtbare schade en het kleinere oog was ook niet blauw.
'Nummer 3 en bovenop graag nummer 5.' Ineens begreep ik wat ze bedoelde. Ze had mij herkend, ik was een tondeuse-klant, knippen was aan mij niet besteed.
Ze pakte de tondeuse en vol overgave ging ze op mijn hoofd te keer, de tondeuse beukte op mijn hoofd, het deed pijn.
Bij het afrekenen kon ik het toch niet laten.
'Je ziet er moe uit, laat geworden, zware nacht gehad.'
Ze keek me ongemakkelijk aan.
Licht beschaamd betaalde ik en liep de deur uit.
Voorjaar
Toen hij deze ochtend was opgestaan had hij het al geweten; het werd zo'n dag, de eerste van het jaar. Ondanks dat het voorjaar nog moest beginnen zou de temperatuur dit gevoel al bij menigeen aanwakkeren. Hij had zijn koffie achter in de tuin, waar hij, tussen de nu nog naakte takken van zijn over de pergola heen woekerende kiwi-plant, de eerste voorzichtige zonnestralen nog net kon opvangen voordat deze achter de dakrand zouden verdwijnen, waar zij later op de dag, even verder, ook weer achter te voorschijn zouden komen, langzaam zacht slurpend vol genoegen genuttigd. De ogen toegeknepen nog onwennig aan het nu al scherpe zonlicht. Warm was het nog niet geweest, dus toen de zon achter de dakrand was verdwenen was hij opgestaan en had hij zijn ochtendroutine verder opgepakt. Zijn Mail checken op zijn laptop die zoals altijd geopend op de eettafel stond, gereed om welke gedachte dan ook, die hem te binnen schoot gelijk in het digitale geheugen op te slaan zodanig dat deze met enig geluk ook weer terug traceerbaar was, zodat het samenstel van wilde gedachten misschien zou kunnen leiden tot een dieper en verrassend inzicht.
Nu inmiddels een paar uur later, de temperatuur was tot een aangenaam niveau opgelopen, zat hij weer buiten in de zon, maar nu had hij zich zelf verwend en had hij zijn tuin ingeruild voor een zonniger plekje alleen aan een tafeltje op één van de vele terrassen die de binnenstad rijk was, een cappuccino voor zich, om zich heen kijkend naar het publiek wat aan zijn oog voorbij trok. Een bonte verzameling van mensen met de zomer al ruimschoots in het hoofd en anderen die blijkbaar slechts met moeite afscheid van de, volgens de kalender, nog steeds aanwezige winter konden nemen.
Meisjes met laag uitgesneden T-shirts die rondborstig en bolbillend langs hem heen paradeerden werden afgewisseld met over het algemeen iets oudere vrouwen, nochthans niet bejaard of middelbaar maar die de jeugd toch al duidelijk achter zich hadden gelaten, winterjassen dichtgeknoopt, waar de sjaal en handschoenen nog maar net aan ontbraken omdat het gevoel blijkbaar op de verstandelijke afweging, wel of niet deze extra voorzorgsmaatregelen nemen, nog net niet de overhand had gehad.
Het terras stroomde vol. Zijn aandacht verplaatste zich langzaam naar de andere terras-gangers. De middagpauze was blijkbaar aangebroken want steeds meer mensen zochten een plekje op het terras. Hij begon te vrezen dat zijn relatieve rust, alleen aan zijn eigen tafeltje inmiddels zijn tweede cappuccino voor zich, wreed verstoord zou worden door druk pratende ambtenaren of andere kantoormedewerkers die juist dit terrasje hadden uitgekozen om hun gemeenschappelijke ergernis, over baas, klant of maatschappelijke positie waarin zij verkeerden met vrouw en kinderen al of niet gehuisvest in hun eigen koopwoning, onder het luisterend oor van hem, met elkaar te delen.
Blijkbaar was zijn blik afwerend genoeg want slechts de stoelen werden bij zijn tafel één voor één weggeplukt zonder dit te vragen, dat wel, maar zijn troost was dat het eerder gevreesde scenario zich niet voltrok.
Op enige afstand hadden zich zo dacht hij een moeder en dochter aan een tafeltje gezet, voor wat blijkbaar een gezamenlijke lunchafspraak was, want het meisje had al duidelijk enige tijd zitten wachten tot dat haar moeder uiteindelijk was komen aanlopen. Zij staken beide nonchalant een hand in de lucht ter begroeting. Een korte omhelzing volgde, wat hem bevestigde in de gedachte dat het hier een moeder en dochter betrof. Warm, kort en functioneel, zonder de afstand die je tussen vriendinnen soms zag, wat zij gezien het duidelijke leeftijdsverschil niet waren. Het één sloot het ander overigens niet uit, zo dacht hij, immers steeds vaker zag je moeders en dochters zich als vriendinnen gedragen zonder de gepaste afstand die vroeger zo vanzelfsprekend was.
Hij begon oud te worden.
De moeder was zeker goed geconserveerd en had door haar kledingstijl een veel jeugdiger uitstraling dan haar werkelijke leeftijd waarschijnlijk rechtvaardigde ofschoon er geen wet was die het dragen van bepaalde kleding boven een zekere leeftijd verbood.
Maar de dochter, dat was pas een plaatje en ze wist het, dat was duidelijk, Ze had al enige tijd om zich heen zitten kijken en met een blik van wie doet mij wat. Zo'n blik waar je je ogen niet vanaf kunt houden maar wanneer ze terugkijkt en de blikken elkaar kruisen, je het gevoel krijgt te hebben zitten staren, wat feitelijk ook zo was. Van schrik dan vervolgens je blik snel afwend, zodat je niet van ongewenst gedrag zou worden beschuldigd en voordat je het wist een door de rechter opgelegd terrasverbod kreeg opgelegd. Toch had hij enige tijd onbekommerd kunnen zitten kijken, de afstand tussen de tafeltjes was groot genoeg om haar aandacht niet te trekken en wie keek er nu naar hem; een man met zijn cappuccino.
Al snel raakte de twee druk aan de praat, de moeder had blijkbaar een nieuw kledingstuk gekocht want uit een plastic tas, duidelijk afkomstig van een winkel gespecialiseerd in de betere, maar vooral duurdere, damesmode verschenen achtereenvolgens een blouse, een kort jasje en een broek of beter gezegd een pantalon. want vrouwen van een zekere statuur en leeftijd droegen geen broeken meer, maar pantalons. De dochter bestudeerde de kledingstukken en het was duidelijk dat niet alles in de smaak viel. Bij de pantalon trok ze een gezicht alsof haar moeder nu echt de leeftijd had bereikt waarbij pasvorm ondergeschikt was geworden aan afgekleed zijn. De pantalon was dan ook duidelijk een trendbreuk met de kleding die de moeder aanhad. Het was duidelijk dat de dochter dit ook vond, want de moeder werd verordonneerd te gaan staan. De dochter wees met haar hand naar de thans gedragen broek duidelijk met de boodschap dat één vergelijkbare broek had moeten worden gekocht in plaats van de nu op de plastic tas op tafel liggende pantalon. Hoewel het hem niet aanging begon hij zich een beetje te ergeren aan de dochter. Blijkbaar mocht haar moeder niet toegeven aan de tand des tijds die onherroepelijk ook bij haar ooit zou toeslaan, waarbij sommige fysieke verschijnselen slechts gecamoufleerd konden worden en waarbij de verpakking uiteindelijk belangrijker werd dan het cadeautje dat je aantrof als het hiervan ontdaan werd. Een nieuwe fase in de menselijke existentie waar haar moeder getuige de pantalon aanspraak op dacht te maken, maar waar dochterlief gezien haar reactie nog geen vrede mee had.
Hij verbaasde zich over zichzelf. hij bemerkte dat zijn ogen steeds meer trokken naar de moeder. hoe ze zich bewoog gracieus, bijna koninklijk, minzaam lachend op niveau.
Het prachtige, mooie meisje wat eerst nog al zijn aandacht had gehad, verdween langzaam van zijn netvlies naar de achtergrond, tegelijkertijd met al die andere rondborstige en bolbillende bimbo's die het terras inmiddels aan het bevolken waren luid pratend, terwijl zen op hun mobiel staarde om de laatste whatsapp'jes van commentaar te voorzien en deze vervolgens naar de hele groep door te sturen.
Hij stond op, het was tijd om te vertrekken. Hij voelde zich oud maar zeker niet ongelukkig, een verrassend nieuw inzicht was tot hem gekomen. Misschien moest hij dat maar even digitaal delen.
Ideeëndiarree.
Onhandig zoenend begroette ze elkaar het was alweer een paar weken geleden dat ze elkaar voor het laatst gezien hadden.
Het waren van die sessies, eerst nog in pak, die bekend stonden en veel later bekend zouden worden als de paksessies. Daar hadden ze nu nog geen weet van.
De wijn werd opengetrokken, een Chateau Cesseras uit 2006 . Hij smaakte goed misschien wel te goed.
De ideediarree kwam langzaam op gang. Gedachten duizelden door hun hoofden.
Een tweede glas, hun gedachten begonnen bijna vaste vorm aan te nemen of kwam het omdat de wereld om hen heen steeds diffuser werd. Kreeg de wijn toch de overhand over de harde werkelijkheid.
Plannen werden gesmeed, businessmodellen ontwikkeld, de sky was de limit.
Bij het verlaten van het pand vergat hij bijna zijn paraplu. De regen hing als een vochtige nevel tussen de huizenblokken en drupte in een gestaag ritme bijna onhoorbaar druipend op de inmiddels opengeklapte paraplu. Hij zweefde een beetje, een gevoel van gelukzaligheid overviel hem. Kwam het door de wijn of was het de inspiratie.
Bijna thuis, nog even het hondje uitlaten.
Hij wist het zeker, het was de inspiratie.
Van een Schotse Hooglander en een Pools Konikpaard.
Sean, de Schotse Hooglander was altijd al een harder werker geweest, hij hield van buffelen. hij had een mooi bestaan binnen de wildroosters en het hekwerk van het terrein dat hij al een beetje van zich zelf beschouwde. Speciaal voor hem waren er samenkomstplekken gecreëerd, met geld uit de 'linkse Hobby' pot die speciaal voor dit soort doeleinde was volgestort. Zijn taak was eenvoudig, deze bestond uit eten van wat de natuur opbracht. Soms kwam hij zijn collega uit Polen tegen, het Poolse Konikpaard, Jacek. Werken als een paard, hij kende de uitdrukking en wist dat dan het Poolse paard bedoeld werd.
Verstaan deden ze elkaar niet, een kort hoofdknikje kon er vanaf.
Soms hinnikte het paard, dan riep hij goedmoedig boe terug als een soort begroeting.
Een keer had hij per ongeluk heel hard boe geroepen en toen was het Poolse paard van schrik luid hinnikend weggerend. Daar was hij van geschrokken want hij wilde niemand in de weg zitten en niemand wegjagen. Hij was hier maar te gast, naar toe gehaald, een soort immigratie-aanbod.
Vroeger toen hadden hier nog Wisenten, Reuzeherten en Mammoeten gegraasd, maar of die zich te goed voelden of dat ze ergens anders woonden nu, wist hij niet. Hij was tolerant er was plaats genoeg voor iedereen.
Laatst had er een man naast hem staan schreeuwen dat hij weg moest, dat hij hier niet thuis hoorde, 'eigen koe eerst'.
Hij was daar wel een beetje van geschrokken. Hij was hier, en Jacek ook, toch al aardig ingeburgerd. Hij had zijn eigen gesubsidieerde samenkomstplek en Jacek de zijne.
Hij zag ook op tegen de deportatie, de uitzetting als ongewenst vreemdeling. Hij had ook al kinderen waarvan er één het hier heel goed deed. Hij had al moeite om Jacek het Konikpaard te verstaan. Wist hij nog wel op zijn Schots te hinniken, kon hij nog wel aarden in die voor hem vreemde cultuur op die Schotse hooglanden?
Nee, het leven was er niet leuker op geworden sinds die nare man naast hem had staan schreeuwen
Jij bent zeker net zo rood als ik?
'Jij bent zeker ook rood, net als ik' begon ze.
Ik vond het bijzonder dat ze gelijk mijn politieke voorkeur had herkend. Was het mijn manier van kleden?
De tijd dat de spijkerbroek, slechts voorbehouden was aan linksmenschen lag toch al ver achter ons.
En het dragen van een jasje, een overhemd zonder stropdas was toch ook niet slechts voorbehouden aan die mensen die het rode geloof aanhingen.
Ik had me inderdaad voor de laatste keer, drie dagen geleden, geschoren. en links, was ik inderdaad al jaren sinds de laatste keer dat ik, zei het slechts eenmalig, niet links gestemd had en dat dan ook nog onder invloed van het ouderlijk gezag.
Maar ik troostte mij al jaren met de gedachte dat dit een jeugdzonde was geweest en dat ik met het rode potlood Aantjes had aangekruist, die eigenlijk ook wel een beetje links was.
Waardoor ze nu gelijk de conclusie had getrokken dat ik rood was was mij echter nog steeds niet duidelijk.
'Ik herken rode mensen meteen', ging ze verder, 'extrovert, direct en resultaatgericht, houden wel van een uitdaging, snel boven op de kast, niet?' Ze keek me vol verwachting aan, wachtende op mijn bevestiging.
Ik begreep direct dat dit niet over mijn politieke voorkeur ging.
Ooit had ik weleens iets gelezen over blauwe, gele, groene en rode mensen.
Ik hield eigenlijk niet zo van dat hokjesdenken.
'Eigenlijk ben ik meer het gele type', reageerde ik daarom.
Ze keek me boos aan alsof ik haar diep beledigd had.
Typisch een gevalletje rood dacht ik nog.
Jaloers en Wraakzuchtig
De dominee stond hoog op de kansel, zijn stem galmde over de hoofden van zijn aandachtig luisterende kudde heen, echoënd tussen de lege zijbeuken die het schip aan beide zijden omarmden. De kerk ooit van Katholieke origine, maar tijdens de beeldenstorm ontdaan van al haar kunstschatten was onder invloed van het calvinisme, zo kenmerkend voor de steile gereformeerden die thans de kerk bevolkten, teruggebracht tot een dodelijk saaie ruimte waar geen ruimte meer was voor afdwalende gedachten gevoed door fantasierijke beeltenissen. Terwijl de essentie van geloof toch vooral het hebben van een ongebreidelde fantasie was die het mogelijk maakte rotsvast te geloven in een slechts aan het menselijke brein ontsproten Godsbeeld. Maar tot die gedachte was hij nog niet gekomen.
De houten kerkbanken zaten ongemakkelijk hier en daar stopte één van de beminde gelovigen besmuikt een pepermuntje in de mond. Langzaam opzuigend, de smaak zolang mogelijk vasthoudend, met een beetje geluk kon je de preek met drie pepermuntjes toe. Maar dan moest het wel de juiste pepermunt zijn de echte. Meestal lukte hem dat niet. Na een paar seconde zette hij zijn tanden al op het harde stuk snoepgoed, met een, in zijn ogen te luide kraak brak de pepermunt in zijn mond in twee grote stukken, dan was het leed al geleden want binnen de minuut had hij het suikerwaar volledig verorberd. Zijn vader keek hem dan verstoord van opzij aan want hij had het gekraak ook gehoord. Beschaamd keek hij naar beneden niet wetend of hij de enige was geweest die de verpulvering van het pepermuntje had waargenomen.
‘Godsspraak over Nineve. Boek van het gezicht van Nahum, de Elkosiet.
Dreiging en troost.’ Zo sprak de dominee dreigend.
‘ Een naijverig God en een wreker is de Here, een wreker is de Here en vol van grimmigheid; een wreker is de Here voor zijn tegenstanders, en toornen blijft Hij tegen zijn vijanden.’
Alsof hij God zelf was zo bulderde zijn stem door de kerk over de hoofden van de mensen weerkaatsend tegen de eeuwenoude muren, opgetrokken uit zandsteen, eeuwengeleden vanuit de Eifel aangevoerd. Hij huiverde.
Hij had nog nooit van Nahum gehoord, al kende hij het verhaal van Ninevé wel, Jona die net zoals Pinoccio in de maag van de walvis belande om uiteindelijk uitgespuwd te worden. Hij wist nooit of zijn vader, toch zeker geen naïef man, dat van die walvis geloofde. Zo ja, dan was de stap naar het geloven in een houten mannetje met somtijds een iets te lange neus toch ook een haalbare.
Zijn vader hield de opengeslagen Bijbel voor zodat hij mee kon lezen. Goud-op-snee met van die duimgrepen waar je de eerste letters van het Bijbelboek op herkende op van dat hele dunne papier. “Tegen u echter gebiedt de Here:” Zo las hij mee, “Uw naam zal niet meer voortgeplant worden; uit het huis uwer goden zal Ik uitroeien de gesneden en de gegoten beelden. Uw graf zal Ik bereiden, want gij zijt te licht bevonden. Zie, op de bergen de voeten van de vreugdebode die heil verkondigt. Vier, o Juda, uw feesten, betaal uw geloften! Want voortaan zal de snoodaard niet meer door u heentrekken, hij is geheel en al uitgeroeid.”
De dominee was klaar met het voorlezen van de schriftlezing. Hij keek de kerk in. Het hele eerste hoofdstuk van Nahum had hij voorgelezen, alle 15 verzen. Hij had half geluisterd en er niet veel van begrepen, maar dat de Here een wreker was en wraakzuchtig was dat had hij wel begrepen. Het boezemde hem tegelijkertijd ontzag als angst in.
Net zoals de kerk dat deed met haar houten banken met de rechte rugleuning en de hoge Gotische gebrandschilderde ramen waardoor het zonlicht scheen, felle kleuren achterlatend op tegenoverliggende muren en in de zomer de hoofden van de heren en de kapsels en nog een enkele hoed van de dames beschijnend. Als de zon scheen zomers was het feest dan volgde hij de zonnestralen door de kerk heen altijd iets anders iets verrassends van kleur doen verschietend. Maar nu was het winter. Hij zat met zijn jas hoog dicht geknoopt, het was koud in de kerk. Het kostte te veel om de kerk voor een uur lang te verwarmen. De zon scheen niet, misschien ging het wel sneeuwen vanmiddag en mocht hij buitenspelen de middagdienst overslaand. Het zou tenslotte de eerste sneeuw van deze winter zijn. Hij hoopte het, tegen beter weten in.
De dominee was er eens goed voor gaan staan, beide handen de katheder waar zijn uitgeschreven tekst van de te houden preek op lag aan de zijkant omvattend. Zijn zwarte toga hing om zijn enorme lichaam, onder het gebulder van zijn galmende stem ging de witte bef die om zijn nek zat, de hals van de zwarte toga afsluitend, ritmisch heen en weer.
De dominee was aan het eind van zijn preek gekomen. Het grote orgel dat hoog tegen de wand hing omsloten door imposante pijpen die het geluid nog massiever en indrukwekkender maakte en waar de organist achter verstopt zat barste in vol volume uit voor een kort muzikaal intermezzo gedurende welk de preek kon inwerken op de kerkgangers. Het was het moment om het laatste pepermuntje uit de rol King te halen en alvast de “gulle” gaven voor de collecte bij elkaar te scharrelen en onder de kinderen te verdelen.
Toen hij uiteindelijk buiten stond en de verwachte sneeuw nog niet gearriveerd was trok er een rilling over zijn rug. Die was zeker niet van de kou, want het vroor nog niet.
Nee, de dominee had van de kansel gebulderd dat God jaloers en wraakzuchtig was. Hij voelde zich niet veilig meer en bespied. Wat als hij iets fout deed wat Zijn wrake opleverde zoals de dominee had geroepen en hij kwam er achter of zijn overleden opa zou het in de hemel toefluisteren aan de Heer.
Hij besloot dan toch maar in Pinokkio te geloven, niet dat hij daar iets van te verwachten had, maar het ergste wat je daarvan kon verwachten was dat je neus wellicht onbedoeld wat langer kon worden, maar dat was niet erg want die kon wel wat lengte gebruiken.
Een welgemeend advies
"Je moet hem wegdoen."
De man sprak met stemverheffing en keek boos naar mijn hond.
Ik keek hem niet begrijpend aan.
Ik kende de man wel en hij mij ook. Hij woonde niet veel verderop en was een bekend gezicht in de stad waarin ook ik woonde. Stoffen regenjas, iets voorovergebogen liep hij eerst met een forse pas zover zijn kleine benen dat toelieten, maar inmiddels met een rollator, door de stad. Hele dagen, dwangmatig waarschijnlijk onder invloed van medicijngebruik.
Ik was hem wel eens in een naburige stad tegengekomen, zo'n 15 kilometer verderop. Hij had mij ook gezien en had schichtig de andere kant opgekeken. Blijkbaar niet wetende wat met de situatie aan te moeten; een bekend gezicht te zien in een stad zover weg. Ik had mij afgevraagd of hij daar met de trein was gekomen of toch ook lopend. ik gokte het laatste.
"Je kan het niet meer betalen veel te duur, weet je wel hoeveel zo'n beest per jaar kost." Ging hij onverdroten verder zonder mijn antwoord af te wachten.
Hij zei nooit veel, groette nooit. Alleen als hem wat dwars zat.
Bij de vorige verkiezingen had hij mij een keer aangesproken.
Hij was in gewetensnood. Altijd had hij op de SGP gestemd, dat was hem als jongeman bijgebracht vanuit zijn opvoeding. Zijn broer was nog dominee geworden in een kerk grenzend aan de orthodoxie. Ik had die vroeger nog weleens vanaf de preekstoel horen fulmineren tegen elke vorm van Ismen, want waren niet allen door de mens verzonnen overtuigingen fout.
Maar hij twijfelde nu en dat betekende blijkbaar voor hem meer dan dat hij zomaar bij een andere partij met het rode potlood het vakje in kon kleuren. Het was meer, het was een geloofscrisis. Hij overwoog SP te stemmen en had hij vroeger niet geleerd dat socialisten de antichrist vertegenwoordigden? Het was een, met recht, duivels dilemma. Na een kwartier hardop getwijfeld te hebben heen en weer geslingerd tussen dat wat hij van oudsher geleerd had en dat wat hij zelf in de loop der tijden zich eigen gemaakt had, besloot ik hem absolutie te verlenen. Zichtbaar opgelucht was hij uiteindelijk doorgelopen.
Maar dit keer lag het anders.
Hij wilde mij nu een advies geven, of was het eigenlijk niet meer een opdracht:
Het hondje moest weg, het kon niet anders, te duur.
Ik probeerde nog tegen te werpen dat er meer was tussen hemel en aarde dan de economische waarde van een levend wezen, maar hij was blijkbaar al te ver afgedreven van zijn religieuze wortels.
Misschien had ik hem toch zijn zondebesef moeten laten behouden.
Het lijstje
De man met de stoffen regenjas sprak me een week later weer aan. Ik had net het stukje langs de volkstuintjes gehad en zag hem al aan komen lopen. Zijn karakteristieke houding met dito baard, lang en wit, maakte hem al van verre herkenbaar. Hij keek al naar mijn hond en ik wist al wat hij ging zeggen: 'Je moet hem wegdoen, bezuinigen moeten we, maar wel op de juiste dingen.'
Ik knikte begrijpend.
'Een lijstje moeten ze maken met bovenaan de dingen die belangrijk zijn en onderaan de dingen waarop bezuinigd mag worden.'
Het wekte bij mij geen verbazing dat bovenaan het lijstje zorg prijkte, maar blijkbaar lag het subtieler.
'Maar als je niet goed voor jezelf zorgt, dan krijg je ook niks als je ziek wordt.'
"Maar stel je bent een roker,' bracht ik er tegenin en je valt van de trap, breekt je been, krijg je dan geen zorg?'
Het was duidelijk een vraag die niet binnen zijn denkraam paste.
Eén van de woonbegeleiders kwam met haar fiets van het terrein affietsen. Ze lachte vriendelijk naar me, waarschijnlijk was ze al bekend met het onderwerp van zijn oratie. En was ze gewend er dwars doorheen te praten.
"ja, erg allemaal, mm, heeft u uw pillen al gehad, wel in één keer doorslikken, nou ik moet er weer vandoor hè." De zorg strekte zich blijkbaar al uit buiten de instelling.
Maar ik had de tijd, ik was niet gebonden aan de stopwatch-zorg, waarin elke handeling in tijd en geld was gebudgetteerd.
'En wat dan met al die bouwvakkers, die op zaterdag voetballen, (ik vermeed zondag te zeggen, want ik wist dat een blessure op zondag opgelopen, was zeker de eigen schuld, dat was een rustdag en geen dag om te sporten) de kniebanden scheuren en dan maanden niet kunnen werken.'
'Voetbal is gezond want bewegen is gezond.' Zo antwoorde hij.
Daar viel niet veel tegenin te brengen.
'Nou u bent er bijna,' zo besloot ik het gesprek.
De man liep verder nog wat na mompelend over niet meer uitgeven dan je hebt.
Het leek me geen goed moment om uit te leggen dat, mits binnen acceptabele grenzen en afgesproken kaders, overheden niet anders deden, en dat dat toch een zekere nuancering behoefde.
Verder lopend dacht ik: Wat zou er bovenaan mijn lijstje staan, toch zeker niet de hond
Pipo en mereloe
Ineens zag hij hem zitten, een klein dikkertje. Hij had wel wat met kleine dikke mannetjes, maar deze had ook nog zo’n mooi gele snavel. Voorzichtig hipte hij naar de waterbak, af en toe schuin omhoog kijkend, uiterst voorzichtig of er geen gevaar dreigde. Zijn gulzigheid bevrijdde hem van zijn angst voor het ongewisse. Hij zat al op het randje, voor hij voorover zou buigen om te drinken keek hij nog eenmaal om zich heen. Hij twijfelde, je zag het aan die gitzwarte kijkers van hem. Uiteindelijk hakte hij de knoop door, hij boog voor over, z’n snavel naar het water reikend.
Rare Pipo dacht hij, ongelofelijk rare Pipo.
Hij vroeg zich af hoe hij zo dik kwam. Rare vraag bedacht hij zich, snoepen en eten, dat wist hij zelf maar al te goed. Al moest hij zich zelf maar al te vaak vullen met een bakje rijst. Het waren zware tijden. De crisis en de huisbaas drukten op hem als een loden last. Hij kon zich moeilijk concentreren, de spanningsboog werd steeds korter. Hij moest productie leveren, brood op de plank.
Een kort verhaaltje geschreven naar aanleiding van genoeglijke middag in de tuin bij een vriend die wat problemen met de huisbaas had.
Eten of gegeten worden.
Hij had al te lang deze foto zitten knuffelen, beetje meer zwart, ietsepietsie meer grijs of toch weer een paar stappen terug.
Zag hij dat nu goed had Pipo een vriendinnetje. Tussen het struikgewas in de binnentuin omringd door hoge muren zag hij iets bewegen, grijs slank en rank, een mooie jonge vrouw. Goed gedaan Pipo zei hij in zichzelf. Zie je wel ook kleine dikke mannetjes kunnen een lekker wijfje scoren. Niet dat hij daar problemen mee had. Maar hij vond de bevestiging die Pipo hem daar gaf toch prettig.
Ze was bang, banger noch dan Pipo. Nee, Pipo was voorzichtig, Mereloe, zo noemde hij haar maar, was bang. Hij stond op. Pipo vloog gelijk weg, Mereloe achter hem aan. Goed zo Pipo wees maar voorzichtig zorg goed voor je mooie slanke vrouwtje. Hij bleef nog even staan. Hij genoot van zijn tuin die hij met zijn beperkte middelen tot een gezellige plek had weten te maken.
Sombere gedachten over zijn huisbaas kregen bijna de overhand. Een dezer dagen zou er wel weer een brief op de deurmat vallen van meester Krijstzohart in opdracht van Steedsmaar Halfomhalfvla. Die had het boze oog, niet van die gitzwarte kijker zoals Pipo. Steedsmaar had de gewoonte je voortdurend indringend aan te kijken. Het zette je op het verkeerde been aan de oppervlakte begrijpend en vriendelijk maar daar onder keihard. Alsof je na een paar happen vanillevla ineens daaronder die smerige hopjesvla proefde. Bepaald geen bonbonnetje, meer zo’n verraderlijke chocoladekogel die eerst nog zacht en zoet uiteindelijk toch je vulling uit je kies brak, waardoor je met de pijn achterbleef.
Pipo en Mereloe waren weer aan komen vliegen, vertrouwd met de omgeving durfde ze al wat meer. Er lag nog wat voer op de grond. Het voorjaar kwam, ze gingen vast een nestje bouwen. Hij werd helemaal vrolijk van binnen. Hij was een gelukkig man. Dit kon niemand hem afnemen.
Hij genoot.
Hij zag de vervelende dikke kater van de buren niet aankomen. Pipo ook niet, of was hij te traag? In een flits, ineens was die er, waar kwam die nu weer vandaan. Wild fladderend hing Pipo in de bek van het vreselijke monster.
Hij wilde de deur open doen maar die zat op slot, hij moest iets doen, paniek, adrenaline van alles gierde door hem heen. Terwijl hij z’n sleutel wilde pakken zag hij nog net hoe Pipo zich los wist te rukken, gelukkig!
Het was eten of gegeten worden.
Hij moest snel weer aan het werk anders werd hij zelf nog opgegeten.
Een jaar wijzer, aan de dood ontsnapt, net niet opgegeten, voelde Pipo zich al een hele vent. De relatie met Mereloe was op een hoger plan gekomen. De tuin die hij inmiddels tot zijn eigen domein rekende had hij vorig jaar nog vrij van indringers gemaakt. Hij had met al de kracht in hem een lastige indringer verjaagd, die probeerde zijn eigen Mereloe te schaken.
Ze moesten niet aan zijn Mereloe komen.
De Meesjes gedoogde hij in de tuin, beschouwde hij niet als indringers. Hij was een tolerante vogel.
Af en toe zat er een man in de tuin soms alleen soms met anderen, het leek hem ook wel een tolerante vogel.
In de nazomer had hij nog gezellig met een ander kersenpitjes van een afstand in een pot zitten spugen. Soms speelde hij, zittend in een soort tent die hij gebouwd had, zachtjes op zijn gitaar, kortom een relaxte vogel. Hij was wat minder thuis dan vroeger had hij bemerkt, als hij door het raam van de grote openslaande deuren, naar binnen keek. Blijkbaar had de maan weer wat meer werk. Hopelijk verdiende hij nu zoveel dat hij het grote huis niet hoefde te verlaten, want hij was aan hem gewend geraakt.
Hij voelde zich hier op zijn gemak, zo zelfs dat hij en Mereloe dachten aan gezinsuitbreiding. Voorzichtig waren ze de afgelopen dagen begonnen met het bouwen van een nestje in de tegen de muur groeiende klimop, vlak naast een aldaar aanwezig nestkastje voor een mezenpaar dat zich vooralsnog niet gemeld had. Het voorjaar kwam er aan en de hormonen begonnen bij hem op te lopen. Hij had zich al een keer lekker gewassen in de waterbak, die zich langzaam met water vulde vanuit een groot gat uit een steen die er midden in was gelegd. Hij was vervolgens lekker in de zon, op de tafel, die achter in de tuin stond, gaan zitten waarop de man wat lekkernijen had neergelegd.
Mereloe was ook aankomen vliegen, wat was ze mooi.
Binnenkort als het nog wat warmer was mocht hij eindelijk boven op haar klimmen en kon de natuur zijn loop hebben.
Hij keek al uit naar die dag, het uitbroeden van de gelegde eitjes, het voeren van het jonge kroost.
Maar hij maakte zich toch wat zorgen over de tijd daarna.
het uitvliegen van zijn kinderen, de boze wilde wereld, de kater van de buren die hem vorig jaar bijna te grazen had genomen.
Ja, het waren spannende tijden het voorjaar kwam.
de Jehova-getuige en de Fisker
Ze stapte uit haar gloednieuwe Fisker, zo was aan het nummerbord af te lezen. Ze kwam me vaag bekend voor. Eigenlijk geen vrouw voor zo'n auto. Ze was frêle van stuk, licht gebruind en opgemaakt. Fraai, de zonde meer dan waard. Ze was met smaak gekleed, haar haar subtiel opgestoken, niet te opvallend. Dit in tegenstelling tot de wat schreeuwerige bolide waar ze net uitgekropen was, want uit dit model auto stapte je niet, maar kroop je.,
Ik schatte de prijs toch minstens een ton+, te grote wielen, te ronden vormen en een subtiel logo op de motorkap, waaronder waarschijnlijk een hoop nutteloze PK's verborgen zaten.
k was zelf net in mijn oude Volvo gestapt en pakte tergend langzaam mijn gordel met mijn rechterhand, met het doel die uiteindelijk vast te klikken. Mijn portier stond nog op een kier, waardoor ik in mijn zijspiegel zag dat ze aangesproken werd door de man die net uit de vrachtwagen van de Meubelgigant was gestapt die tegen de verplichte rijrichting in, aan de overkant, geparkeerd stond. De motor liep nog, was hij nu gestopt louter en alleen om die wat protserige bolide te bekijken. Je had van die mannen. "Half elektrisch," hoorde ik haar tegen hem zeggen. Dat viel dan toch weer mee. Als na 20 km elektrisch rijden de batterijen uitgeput waren, kon je nog minstens 200 km doorrijden op je volle benzinetank. Dat scheelde toch weer heel wat CO2 uitstoot.
Als ik de vrouw zo door mijn spiegel bekeek kon ik mij niet aan de indruk onttrekken dat het milieu haar aandacht had. Het was niet het type waterstofperoxide bimbo, dat geld als water had verdiend met werkzaamheden waar een eerzame vrouw zich voor zou schamen. Zeg maar een soort 'Barbie' maar dan met wat meer klasse. Het leek wel of ze er per ongeluk ingestapt was en nu bij het uitstappen zich pas realiseerde dat het toch wel een opvallend modelletje was.
Ik zag haar samen met de chauffeur naar de vrachtwagen lopen de achterklep ging open, de man pakte er wat onbestemds uit, een in elkaar schroefbaar meubel, zo vermoede ik. Samen liepen ze, tot mijn stijgende verbazing, naar de voordeur van de woning recht tegenover mij.
Ineens herkende ik haar; het was de vrouw van de Jehova-getuige. De woning was een paar dagen geleden deels leeg geruimd door de Jehova-getuige en wat vrienden uit de club, die altijd behulpzaam toe schoten als er wat gedaan moest worden. Een paar jaar geleden nog hadden ze met z'n allen de hele zolder verbouwd. Op de uitnodiging, dat ik wel eens mocht komen kijken hoe mooi het was geworden, was ik niet ingegaan, zo bang als ik was, dat ik meer aandacht voor zijn vrouw zou hebben dan voor die hele verbouwde zolder.
Hem had ik de afgelopen maanden nog wel gezien, altijd zittend achter zijn laptop, zo vermoede ik, aan de eettafel. Haar had ik gemist.
Maar daar was ze nu ineens, blijkbaar van haar geloof gevallen in een te dikke auto. Wellicht had ze de loterij gewonnen, maar daar deden Jehova's toch niet aan?
Een mysterie dat was het!
Ze moest in ieder geval op zoek naar een nieuwe vriendenkring.
De gordel zat vast, ik startte de motor, reed langzaam weg met de gelukkige gedachte dat zij blijkbaar de onderlinge strijd had gewonnen om wie het huis mocht houden.
Frans
Ik had Frans in jaren niet gezien, niet dat dat nu zo bijzonder was, want Frans was gedurende een bepaalde periode in mijn werkzame leven, slechts één van mijn voormalige leidinggevende geweest. Frans was directeur geweest, een ambtelijk directeur, meer verstand van beleid dan van beheer, want daar waren weer anderen voor. Hij had in die tijd, een jaar of 20 geleden inmiddels, een onuitwisbare indruk op mij gemaakt, een visionair die in staat was zo volkomen los van de werkelijkheid te komen dat je bijna ging geloven dat wat hij zei en bedacht ook werkelijkheid zou kunnen worden.
Hij kon midden in een vergadering ineens opstaan, de legendarische woorden uitsprekend: “Ik voel een schema in mij opborrelen”, vervolgens naar een aan de muur hangend whiteboard lopen en daar, een door niemand begrepen schema uittekenen, de andere in verbijstering en vol onbegrip achterlatend, zelf een stap naar achter doend vol tevredenheid zijn uit een wirwar van lijnen opgebouwde creatie bewonderen en constateren dat dat de zaak toch een stuk verhelderde.
Frans was zijn tijd ver vooruit.
Zo herinnerde ik mij dat hij ooit, op een vrijdagmiddag op een afscheidsborrel van één van zijn medewerkers, een directe collega van mij, kwam binnenstormen. We hadden al minstens een half uur staan wachten op zijn kamer en het feestvarken had al een paar keer ongeduldig op haar horloge staan kijken, want afscheid nemen duurt niet eindeloos en kan maar beter snel en kort zijn, en naar ik mij herinneren was het afscheid in dit geval ook niet geheel vrijwillig, al was er in die tijd bij de overheid van ontslag nimmer sprake, tenzij je het natuurlijk echt te bont had gemaakt.
Frans was bij een nog hogere en betere betaalde ambtenaar dan hij zelf was, die het ooit nog tot premier zou schoppen, langs geweest met een lumineus idee: digitalisering van papierstromen heette het. De begroting van het departement hoefde maar met een kwart opgehoogd te worden maar als je dat over een paar jaar uitsmeerde viel het allemaal best wel mee. Vol geestdrift vertelde hij wat er allemaal ging gebeuren, het grote whiteboard kwam er uiteraard ook weer aan te pas.
De afscheid nemende collega stond er een beetje beduimeld bij en omdat Frans van geen ophouden wist besloot zij uiteindelijk eieren voor haar geld te kiezen en vertrok met stille trom. Een afscheidsfeestje was het niet geworden. Frans werd te veel opgeslokt door zijn vergezichten die hij aan het schetsen was, voor de paar aandachtige luisteraars die nog in zijn kamer achterbleven.
Frans was zijn tijd ver vooruit, te ver want een paar maanden later was jij er niet meer en had een ander zijn taak overgenomen, iemand die wel keurig binnen de budgettaire lijntjes kon kleuren.
Frans woonde bij mij in de buurt en wij zaten weleens in dezelfde treincoupé, ondanks het feit dat het klassenverschil tussen hem en mij zelfs in het treinabonnement tot uitdrukking kwam. We hielden de conducteur in de gaten en als hij binnen gezichtsafstand was ging ik geduldig staan tot de goede man weer voorbij was. Frans hield wel van een beetje burgerlijk ongehoorzaam. Hij was het kind nooit kwijtgeraakt. Dat bleek wel toen we elkaar vele jaren later elkaar weer spraken. Ik was al weer een poosje zonder werk en op zoek naar een nieuwe uitdaging zoals dat zo mooi heet.
Opeens had ik aan Frans moeten denken, ik had een referentie nodig. Hij bleek ineens weer bij mij in de buurt te wonen niet in het westen maar ook inmiddels in het oosten. Hij bleek bekeerd, van prominent Sociaaldemocraat naar Christendemocraat. Waar het mis was gegaan wist ik niet. Ik had google geraadpleegd, de foto was onmiskenbaar, de ondeugende lach, pretogen en het kalende hoofd, onmiskenbaar Frans. Het kind nog steeds dicht aan de oppervlak.
Frans had goed geboerd want hij woonde landelijk, diep in de achterhoek, op een boerderij, die vreemd genoeg, zoals bleek na wat verder zoeken, ook te koop stond. Het was slecht een tijdelijke plek. Frans woonde antikraak. Nieuwsgierig geworden belde ik hem op.
Frans herinnerde zich mij ook nog. En bleek ook nog eens in de zelfde sector te werken, namelijk de zorg, waarin ik tot een paar jaar geleden ook mijn brood had verdiend. Bedrijfsvoering, huisvesting, facilitair, ze passeerde allemaal de revue. Mijn enthousiasme werd aangewakkerd en ik voorzag kansen op misschien wel hernieuwde samenwerking en natuurlijk was hij bereid de gevraagde referentie zo nodig te verstrekken. We maakten een afspraak op zijn boerderij.
Het nut van google Street view bewees zich weer eens, want van te voren had ik mijzelf een blik gegund op de boerderij waar Frans tijdelijk in verbleef. Hij had mij het idyllische beeld geschetst van reeën die zich ’s-ochtends vroeg achter in zijn tuin aan de bosrand ophielden. Diezelfde bosrand die door, zo op het oog, twee bouwvallige schuren aan het zicht werd onttrokken. Al kon het natuurlijk ook zo maar zijn dat de foto van Google-earth al weer enige jaren verouderd was. Ik moest onwillekeurig lachen, Frans had, zo herinnerde ik mij het vermogen zaken net even iets mooier voor te stellen dan zij in werkelijkheid waren.
Een paar weken later zat ik in mijn auto op weg naar een plek waar Nederland ophield en Duitsland nog net niet begonnen was, waar de taal gesproken, slechts met grote moeite te verstaan was, en dan alleen nog door de herkenning van reeksen woorden en niet door het zinsverband. In dit stukje Nederland was Frans neergestreken. De locatie die ik in mijn routeplanner had ingetypt bleek in 3 verschillende plaatsen binnen dezelfde gemeente te vinden te zijn. Dus aangekomen bij het adres, leek dat in niets op de boerderij die ik eerder op het internet gevonden had. Na de weg twee keer in omgekeerde richting te hebben ingeslagen besloot ik uiteindelijk mijn auto aan de kant te zetten en een vrouw die in de tuin aan het tuinieren was bij het huisnummer dat ik zocht om duidelijkheid te vragen over dit schier onoplosbare probleem, naar de weg te vragen. Ik was, zo bleek, niet de enige die deze gordiaanse knoop niet had weten te ontwarren. Ik werd teruggestuurd en een paar kasseienstroken en zandwegen later zag ik in de verte de boerderij waar Frans verbleef eindelijk aan de horizon verschijnen. De bosrand met reeën was niet te bekennen wel twee enorme schuren opgetrokken uit betonblokken en van een golfplaten dak voorzien, de deuren scheef hangend en half geopend, Het was niet direct duidelijk of dat de deuren bewust open stonden of dat ze gewoon niet meer dicht konden. Ik reed zijn auto het erf op. Frans begroette me joviaal, kom verder, kom verder!
Het bleek dat Frans geen relatie meer had en uiteindelijk neergestreken was op deze plek ver van de bewoonde wereld in een boerderij die nooit verkocht zou worden omdat de boerderijwoning een onaantrekkelijk jarenzeventighuis betrof en de twee grote schuren een asbestprobleem hadden. Hij had het mooi voor elkaar, zo vond hij, antikraak voor een habbekrats, wat kon er misgaan. We haalden wat oude herinneringen op. Hij bleek in het advieswerk te zitten, op hoog niveau. Ik had niet anders van Frans verwacht. Wij wisselde de door ons geschreven blogs en boeken uit, mijn werkje betrof een satirische roman zijn boek een doorwrochte wetenschappelijke analyse over leiderschap. Mijn referentie heb ik nooit gekregen, die toezegging was ik al weer snel vergeten. Zo kende ik Frans weer.
Toen ik enige tijd later weer eens zijn blog opzocht zag ik dat de bijdragen ineens gestopt waren. Ik zocht hem op facebook op, ik googelde verder op zijn naam. Toen ontdekte ik, Frans was niet meer, dood, ineens. Keihard kwam het bericht binnen.
Gek, hoe goed kende ik hem nu, hoe vaak had ik hem nu de laatste jaren gezien, maar toch ik voelde een leegte.
Ik miste hem.
Maak jouw eigen website met JouwWeb